|
Eigen vertaling
van Maese Pérez el organista
uit:
Gustavo Adolfo Bécquer:
Leyendas
(Volksverhalen)

Klik op het logo voor de Spaanse tekst
Meester Pérez, de organist
Terwijl ik in de hof van het
Sint-Agnesklooster in Sevilla wachtte op het begin van de kerstmis,
vertelde een boodschapster van het klooster me het volgende
volksverhaal.
Het sprak voor zich dat ik, na haar te hebben
aangehoord, ongeduldig het begin van de dienst afwachtte, vol
verlangen een wonder te mogen aanschouwen.
Het orgel van het Sint-Agnesklooster was echter
allesbehalve wonderbaarlijk en de saaie motetten die de organist die
avond ten gehore bracht waren zo banaal als maar zijn kon.
Toen de mis was afgelopen kon ik mezelf er niet van
weerhouden ietwat spottend tegen de boodschapster te zeggen:
– Hoe komt het toch dat het orgel van meester Pérez nu
zo slecht klinkt?
– Wel – antwoordde de oude vrouw –, dat komt doordat het
zijn orgel niet is.
– Het is zijn orgel niet? Wat is er dan mee gebeurd?
– Het is een paar jaar geleden van pure ouderdom in
stukken gevallen.
– En de ziel van de organist?
– Die is uit de kerk verdwenen sinds ze het orgel hebben
vervangen.
Als een van mijn lezers mij dezelfde vraag zou willen
stellen, zal deze na het lezen van dit verhaal begrijpen waarom het
wonderbaarlijke mirakel zich niet tot onze dagen heeft blijven
voordoen.
I
– Zien jullie die man daar met die rode mantel en die
vilten hoed met witte veer? Het lijkt alsof hij zich heeft behangen
met al het goud dat de galjoenen uit Amerika hebben meegebracht. Hij
daar, die uit de draagstoel stapt om zijn hand aan te bieden aan die
dame. Ze heeft de hand geaccepteerd en komt nu hierheen,
voorafgegaan door vier bedienden met fakkels. Dat is nou de markies
van Moscosso, hij maakt de weduwe gravin van Villapineda het hof. Er
wordt gefluisterd dat hij, voordat hij zijn oog op deze dame heeft
laten vallen, de dochter van een rijk heer ten huwelijk heeft
gevraagd, een heer waarvan wordt gezegd dat het een beetje een vrek
is... Maar stil! Als je het over de duivel hebt! Daar komt ie. Zien
jullie die man die door de Sint-Philipspoort komt, lopend, gehuld in
een donkere mantel en voorafgegaan door slechts één enkele bediende
met lantaarn? Hij staat nu voor de kerststal.
Hebben jullie het militaire kruis op zijn borst zien
blinken toen hij zijn mantel losmaakte om de stal eer te bewijzen?
Zonder die nobele decoratie zou je zeggen dat het een kruidenier uit
de calle de Culebras is. En dat is de vader waar ik het over had;
kijk eens hoe het volk hem groet en voor hem opzij gaat. Door zijn
enorme fortuin kent heel Sevilla hem. Hij heeft meer gouden dukaten
dan onze koning Philips soldaten, en met zijn galjoenen zou hij zo
een vloot kunnen vormen, sterk genoeg om de Grote Turk tegen te
houden.
Kijk dat stelletje ernstige heren toch eens: dat zijn de
gemeentebestuurders. Het is niet waar! Daar heb je zelfs die brutale
vlegel. Ze zeggen dat de inquisitie hem nog niet heeft gegrepen
vanwege zijn invloed bij de rijke burgers van Madrid... Hij komt
alleen maar naar de kerk om naar de muziek te luisteren... Nee, als
er bij iemand geen dikke tranen over de wangen lopen wanneer meester
Pérez op het orgel speelt, kun je ervan uitgaan dat zijn ziel niet
aanwezig is in de kerk, maar in de hel brandt. Ai buurvrouw! Het
ziet er slecht uit... Ik denk dat ze slaags gaan raken; ik zoek een
goed heenkomen in de kerk, want ik vermoed dat we hier meer
wapengekletter dan onzevaders te horen gaan krijgen. Kijk daar: de
mannen van de hertog van Alcalá slaan de hoek om van het
Sint-Pietersplein, en door de Nonnensteeg meen ik die van de hertog
van Medinasidonia te hebben ontwaard. Heb ik het jullie niet
gezegd?
Ze hebben elkaar al gezien, beide partijen staan stil,
zonder van hun plek te wijken... De groepen worden kleiner... De
dienders, die bij dit soort gelegenheden zowel door vriend als
vijand worden geslagen, trekken zich terug... Zelfs meneer de
burgemeester, met stok en al, zoekt zijn toevlucht in de
kloosterhof... En dan zeggen dat er recht en orde heerst! Voor de
armen...
Kijk daar, de schilden glinsteren al in de duisternis...
Dat Christus onze Heer ons bij moge staan! Daar vallen de eerste
klappen al... Buurvrouw! buurvrouw! Hierheen..., voordat ze de
deuren sluiten. Wees stil! Maar wat nu? Het is nauwelijks begonnen
of ze stoppen al? Wat is dat voor gloed? Brandende fakkels!
Draagstoelen! Het is de aartsbisschop...
De Heilige Maagd, die ik in gedachten heb aangeroepen,
heeft hem gestuurd om de gemoederen tot bedaren te brengen... O! Als
u eens wist wat ik aan haar te danken heb!... Wat beloont ze me toch
voor elke kaars die ik iedere zaterdag voor haar opsteek! Kijk hem
toch eens, hoe mooi hij eruitziet met zijn paarse gewaad en zijn
rode bonnet... Dat God geve dat hij net zo lang in zijn zetel moge
blijven zitten als ik tijd van leven voor mezelf wens. Zonder hem
zou half Sevilla al in brand hebben gestaan door die strijd tussen
de hertogen. Kijk toch eens, de schijnheiligen, hoe ze beiden naar
de draagstoel van de aartsbisschop toegaan om hem de ring te
kussen... Hoe ze hem volgen en zich aansluiten bij zijn bedienden.
Wie zou zeggen dat die twee daar, die nu goeie vrienden lijken, dat
als ze elkaar over een half uur tegenkomen in een donkere straat...
Dat ze, dat ze... God bewaar me dat ik ze voor lafaards houd; ze
hebben in de strijd tegen de vijanden van Onze Heer immers al bij
verschillende gelegenheden laten zien uit wat voor hout ze zijn
gesneden. Maar zeker is dat, als ze tot een vergelijk zouden willen
komen..., als ze dat echt zouden willen, het ze zou lukken. Dan
zouden ze voor eens en altijd een einde maken aan die onophoudelijk
confrontaties, waarin het overigens hun verwanten, volgelingen en
bedienden zijn die in werkelijkheid het gevecht leveren.
Maar buurvrouw, laten we naar de kerk gaan voor die
stampvol zit..., want op avonden als deze wordt het meestal zo druk
dat er geen kip meer bij kan... De nonnen boffen maar met hun
organist... Wanneer heeft het klooster er ooit zo goed voor gestaan
als nu?... Ik kan je vertellen dat de andere gemeenten meester Pérez
geweldige aanbiedingen hebben gedaan; zo vreemd is dat ook niet,
want meneer de aartsbisschop heeft hem gouden bergen beloofd om hem
naar zijn kathedraal te krijgen... Maar hij ging nergens op in...
Hij zou liever doodgaan dan te scheiden van zijn geliefde orgel...
Kennen jullie meester Pérez? O ja, jullie zijn nieuw in de buurt...
Wel, het is echt een heilige; maar de grootste armoedzaaier die er
is... Hij heeft geen andere familie dan zijn dochter en geen andere
vriend dan zijn orgel; hij is de hele tijd alleen maar bezig om de
onschuld van de eerste te beschermen en de registers van de tweede
in orde te maken... Bedenk dat het orgel oud is!... Maar dat maakt
niets uit, hij is zo handig in het repareren en onderhouden ervan,
dat het prachtig klinkt... Omdat hij het zo goed kent dat hij op de
tast..., want ik weet niet of ik het jullie al heb verteld, maar de
arme man is blind van geboorte... En met wat een geduld draagt hij
zijn ongeluk!... Als ze hem vragen wat hij ervoor over zou hebben om
te kunnen zien, antwoordt hij: “Heel wat, maar niet zo veel als
jullie denken, want ik houd hoop.” “Hoop om te kunnen zien?” “Ja, en
al gauw", zegt hij dan met een engelachtige glimlach, "ik ben al
zesenzeventig jaar; hoe lang mijn leven ook is geweest, binnenkort
zal ik God zien..."
De arme drommel! En hij zal Hem zeker zien..., want hij
is nederig als de straatstenen waar iedereen overheen loopt... Hij
zegt altijd dat hij maar een eenvoudige organist van een klooster
is, maar hij zou de meester van de kathedraal over muziekleer nog
heel wat kunnen bijbrengen; want hij heeft zich echt in het vak
vastgebeten... Zijn vader had hetzelfde beroep als hij; ik heb hem
nooit ontmoet, maar mevrouw mijn moeder, dat God haar moge
beschermen, zegt dat hij hem altijd meenam naar het orgel om hem de
blaasbalg te laten bedienen. Later bleek de jongen zo veel aanleg te
hebben, dat het vanzelfsprekend was dat hij na de dood van de vader
diens post erfde... En wat een handen heeft hij! God zegene die
handen. Ze verdienen het om te worden meegenomen naar de calle de
Chicarros om verguld te worden... Hij speelt altijd goed; maar op
avonden als deze is hij echt fenomenaal... Hij is de kerstmis zeer
toegewijd, en wanneer de heilige hostie wordt getoond, dadelijk om
twaalf uur, het tijdstip waarop Onze Heer Jezus Christus ter wereld
is gekomen..., zijn de klanken die uit zijn orgel komen als
engelengezang...
Maar goed, waarom ben ik iets aan het ophemelen dat
jullie vanavond zelf te horen gaan krijgen? Het is voldoende om te
zien dat de vooraanstaande burgers van Sevilla, en zelfs meneer de
aartsbisschop, naar een bescheiden klooster komen om hem te horen
spelen; en denk maar niet dat het alleen muziekkenners zijn die hem
op waarde weten te schatten, zelfs het gepeupel kan dat. Al die
groepen mensen die je met brandende toortsen hierheen ziet komen en
nu, begeleid door tamboerijnen en rommelpotten, luidkeels
kerstliedjes aanheffen en die gewoonlijk de kerken op stelten
zetten, zijn straks zo stil als het graf wanneer meester Pérez het
orgel beroert... En wanneer hij langzaam zijn handen opheft..., kun
je een speld horen vallen...; langs alle wangen biggelen dikke
tranen van ontroering en als de muziek ophoudt, hoor je een enorme
zucht, die niets anders is dan de adem van de aanwezigen, die ze
tijdens de muziek hebben ingehouden... Maar vooruit, het klokgelui
is opgehouden, de mis gaat beginnen, laten we naar binnen gaan...
Voor iedereen is het vanavond kerstavond, maar niemand zal een
betere avond hebben dan wij.
Dit gezegd hebbende, doorkruiste de goede vrouw die een
gids voor haar buurvrouw was geweest de hof van het
Sint-Agnesklooster, en na een elleboogstoot hier en een duw daar
trad ze de tempel binnen en ging ze op in de menigte die bij de deur
was samengedrongen.
II
De verlichting in de kerk was verrassend uitbundig. De sieraden van
de aanwezige dames schitterden door het licht dat van de altaren
afkwam en de ruimte eromheen vulde; de dames kregen een gebedenboek
uit handen van de nonnen, knielden neer op de fluwelen kussens die
door de misdienaren waren neergelegd en vormden zo een fonkelende
kring om het hek van het presbyterium.
Naast het hek stonden, samen met een groot deel van de
fine fleur
van de Sevilliaanse adel, de gemeentebestuurders, gehuld in hun
gekleurde, goud gegalonneerde mantels; ze toonden met gemaakte
nonchalance de rode en groene insignes op hun borst, met in de ene
hand de vilten hoed, waarvan de veren de vloerkleden raakten, en de
andere hand rustend op het gepolijste kruis van hun degen of op het
geciseleerde gevest van hun dolk. Ze leken een muur te vormen om hun
dochters en echtgenotes te beschermen tegen het contact met het
gewone volk, dat zich achterin het middenschip en de zijbeuken
roerde en een kabaal maakte als een ruwe zee. Toen ze de
aartsbisschop zagen binnenkomen, barstte het volk uit in gejubel,
daarbij begeleid door het geluid van hun tamboerijnen, dat volledig
misplaatst was. Nadat de prelaat op een scharlakenrode troon naast
het hoofdaltaar was gaan zitten, gaf hij, omringd door dienaren, het
volk drie keer de zegen.
Het moment dat de mis zou beginnen was aangebroken. Er
verliepen echter enkele minuten, zonder dat de priester verscheen.
De menigte begon onrustig te worden en liet merken dat ze haar
geduld aan het verliezen was; de mannen begonnen fluisterend met
elkaar te praten en de aartsbisschop stuurde een van zijn dienaren
naar de sacristie om er achter te komen waarom de dienst maar niet
begon.
– Meester Pérez is ziek geworden, heel erg ziek, hij kan
vanavond niet bij de mis aanwezig zijn.
Dat was wat de dienaar antwoordde.
Het bericht verspreidde zich direct onder de menigte. De
teleurstelling die dit bij allen teweeg bracht valt nauwelijks te
beschrijven; er ontstond zo veel rumoer in de kerk, dat de
burgemeester opstond om het volk tot stilte te manen. De
gerechtsdienaren kwamen binnen en begaven zich onder de opeengepakte
menigte.
Op dat moment liep er een magere en knokige man, die er
slecht uitzag en ook nog eens scheel was, naar de plaats waar de
aartsbisschop zat.
– Meester Pérez is ziek – zei hij –; de plechtigheid kan
niet beginnen. Als u wilt, kan ik in zijn afwezigheid het orgel
bespelen; want meester Pérez is niet de eerste organist die de
wereld heeft gezien, en evenmin zal het orgel na zijn dood
onbespeeld blijven bij gebrek aan intelligente...
De aartsbisschop knikte instemmend. Een paar gelovigen,
die wel wisten dat het vreemde personage een jaloerse organist was,
een vijand van de organist van het Sint-Agnesklooster, begonnen
meteen te schreeuwen en hun ongenoegen te uiten, toen plotseling
vanuit de kloosterhof een vreselijk lawaai kwam.
– Meester Pérez is gekomen!... Meester Pérez is
gekomen!...
Het geschreeuw zorgde ervoor dat iedereen zich omdraaide
naar de groep mensen bij de deur.
Het was inderdaad meester Pérez, die met een bleek en
verwrongen gezicht op een armstoel de kerk werd binnengebracht.
Allen vochten om de eer hem te mogen dragen.
De adviezen van de artsen, de tranen van zijn dochter,
niets had hem in bed kunnen houden.
– Nee – had hij gezegd, dit is de laatste keer, daar ben
ik van overtuigd, en ik wil niet sterven, zeker niet op deze avond,
kerstavond, zonder mijn orgel nog eenmaal te zien. Laten we gaan,
het is wat ik wil, wat ik beveel; laten we naar de kerk gaan.
Zijn wensen werden verhoord; de aanwezigen zetten hem op
het podium en de mis begon. Op dat moment sloeg de klok van de
kathedraal twaalf uur.
De introïtus vond plaats, het evangelium en het
offertorium, en toen kwam het plechtige moment dat de priester met
zijn vingertoppen de heilige hostie pakte, consacreerde en ophief.
Blauwe flarden wierook begonnen een wolk te vormen en de
kerk te vullen; de klokken luidden en brachten een trillend geluid
voort, meester Pérez zette zijn verkrampte vingers op de toetsen van
het orgel.
De honderd klanken uit de metalen pijpen weergalmden als
een majestueus en langgerekt akkoord dat langzaam wegstierf, alsof
een luchtvlaag het had ontdaan van de laatst overgebleven tonen.
Dit eerste akkoord was als een stem die vanaf de aarde
opsteeg naar de hemel. Het werd opgevolgd door een zacht akkoord dat
in de verte te horen was, langzaam in kracht toenam en aanzwol tot
het was veranderd in een oorverdovende maar harmonieuze muur van
geluid. Het was de stem van engelen die de ruimte hadden doorkruist
en op aarde waren aangekomen.
Daarna kwam het geluid van verre, door serafijnen
aangeheven lofliederen naderbij; duizenden liederen gingen tegelijk
in elkaar op en werden als één enkel gezang, dat toch niet meer was
dan de begeleiding voor een vreemde melodie, een melodie die leek te
zweven boven die oceaan van mysterieuze akkoorden, als een mistflard
boven de golven van de zee.
Een aantal liederen stierven weg, daarna nog meer; het
geheel werd eenvoudiger. Er waren nu niet meer dan twee, in elkaar
opgaande stemmen over; daarna nog maar één, die een toon als een
schitterend licht aanhield... De priester boog het hoofd, en boven
zijn met grijze haren bedekte schedel verscheen door de
wierookwolken, als door een blauw gaas, de heilige hostie voor de
ogen van de gelovigen. Op dat moment won de vibrerende toon die
meester Pérez aanhield steeds meer aan kracht, totdat een explosie
van harmonieus geluid de kerk deed schudden op zijn grondvesten, de
lucht in alle hoeken samenperste en liet zoemen, de
glas-in-loodramen deed trillen in de smalle boogvensters.
Alle noten van dit grandioze akkoord ontwikkelden zich
tot een melodie, sommige waren dichtbij, andere veraf, sommige
sonoor, andere gedempt, alsof water en vogels, wind en bladeren,
mensen en engelen, hemel en aarde, allemaal in hun eigen taal, een
loflied zongen op de geboorte van de Verlosser.
De menigte luisterde ademloos, als gezeten op een wolk.
In alle ogen was een traan te zien, in alle zielen had zich een
diepe stilte genesteld.
De priester voelde zijn handen beven, want Hij, die in
hen verhief, Hij, die werd gegroet door mensen en aartsengelen, was
zijn God,
zijn
God, en het leek alsof de hemel zich had geopend en de heilige
hostie was veranderd in het lichaam van Christus.
Er bleef geluid uit het orgel komen, maar de klanken
doofden langzaam uit, als de echo van een stem die steeds zwakker
wordt en wegsterft, toen plotseling de schreeuw van een vrouw klonk.
Het orgel produceerde een vreemd en vals geluid dat leek
op een jammerklacht, en zweeg.
De menigte stortte zich op de trap naar het podium, waar
alle gelovigen, weggerukt uit hun religieuze vervoering, met grote
bezorgdheid de blik op hadden gericht.
– Wat gebeurde er? Wat is er aan de hand? – vroegen ze
aan elkaar. Maar niemand wist een antwoord te geven; allen
probeerden er een te bedenken; de verwarring en het tumult groeide,
waardoor de orde en ingetogenheid die bij een kerk horen verstoord
dreigde te raken.
– Wat is er gebeurd? – vroegen de dames aan de
burgemeester, die, voorafgegaan door dienders, als een van de
eersten de tribune had beklommen en zich nu met een bleek en
diepbedroefd gezicht begaf naar de plaats waar de aartsbisschop op
hem wachtte, als iedereen in spanning om te horen wat de opschudding
had veroorzaakt.
– Wat is er aan de hand?
– Meester Pérez is dood.
En toen de eerste gelovigen de trap opstormden en het
podium bereikten, zagen ze de arme organist voorover liggen op de
toetsen van zijn oude orgel. Het trilde nog na, maar maakte geen
geluid meer. Aan zijn voeten neergeknield probeerde zijn snikkende
en jammerende dochter hem tevergeefs weer tot leven te wekken.
III
– Goedenavond, mijn beste doña Baltasara. Komt u ook
naar de kerstmis vanavond? Ik was zelf van plan om naar de mis in de
parochiekerk te gaan; maar het is zo dat... Waar Vicente naartoe
gaat? Waar iedereen naartoe gaat. Om eerlijk te zijn: sinds meester
Pérez is overleden, lijkt het alsof mijn hart wordt dichtgeknepen,
iedere keer als ik het Sint-Agnesklooster binnenga. De arme man! Hij
was een heilige!... Weet je dat ik een stuk van zijn wambuis bewaar
als relikwie?, dat verdient hij, want ik zweer bij God en mijn
zielenheil dat, als meneer de aartsbisschop de zaak ter hand neemt,
onze kleinkinderen het zeker bij het altaar zullen kunnen
aanschouwen... Maar hoe gaan we dat ooit voor elkaar krijgen?... Ook
voor de doden geldt “uit het oog, uit het hart”... De mensen hebben
alleen belangstelling voor wat nieuw is... U begrijpt me wel. Wat?
Weet u niet wat er aan de hand is? Wat dit betreft lijken we echt op
elkaar: we gaan van ons huisje naar de kerk en van de kerk naar ons
huisje, zonder ons druk te maken over wat er wordt gezegd of
verzwegen... Alleen..., in het voorbijgaan..., ving ik her en der
wat woorden op... Zonder dat het me interesseert, ben ik meestal
toch op de hoogte van wat nieuwtjes...
Want het lijkt er inderdaad op dat de organist van de
Sint-Romanuskerk, die schele, die altijd de andere organisten
probeert zwart te maken, die booswicht, die er meer uitziet als een
slachter van het abattoir dan een musicus, op kerstavond het orgel
gaat bespelen als vervanger van meester Pérez. U zult wel weten,
want het is in Sevilla algemeen bekend, dat niemand het wilde doen.
Zelfs zijn dochter niet, die lerares is en na de dood van haar vader
het klooster is ingegaan.
En het valt ook wel te begrijpen: we zouden, gewend als
we zijn die prachtige muziek te horen, alles wat anders is
waardeloos vinden, hoezeer we vergelijkingen ook zouden proberen te
vermijden. Maar net toen de gemeente had besloten om, ter ere van de
overledene en als blijk van respect voor diens nagedachtenis,
vanavond het orgel te laten zwijgen, komt die vent ermee aanzetten
dat hij het wel wil bespelen... Niemand is zo onbezonnen als de
onwetende... Natuurlijk is het niet zozeer zijn schuld als wel van
degenen die deze heiligschennis toestaan...; maar zo gaan de
dingen...; de mensen die komen luisteren hebben er niets over te
vertellen...; je zou zeggen dat er het afgelopen jaar niets is
veranderd. Dezelfde personen, dezelfde overdaad, hetzelfde geduw en
getrek bij de deur, dezelfde drukte in de kloosterhof, dezelfde
mensenmassa in de kerk... Ach, als de overledene dit zou hebben
kunnen meemaken, zou hij nogmaals willen sterven om niet te hoeven
zien dat zijn orgel wordt bespeeld door dergelijke handen!
Maar als het waar is wat ze me hebben verteld, gaan de
buurtbewoners hem een streek leveren. Wanneer het moment is
aangebroken dat hij zijn vingers op de toetsen zet, zullen ze met
tamboerijnen en trommels zo´n kabaal maken dat het alles
overstemt... Maar, stil!, de held van de voorstelling komt de kerk
binnen. Lieve hemel, wat een kleurig gewaad, wat een pijpkraag, wat
een zelfgenoegzaamheid! Vooruit, de aartsbisschop is al een tijdje
binnen, de mis gaat beginnen... Wel, wel, het lijkt erop dat we het
nog lang over deze avond zullen hebben.
Dit gezegd hebbende, betrad de goede vrouw, wier
uitbarstingen van spraakzaamheid de lezers al kennen, de
Sint-Agneskerk, zich een weg banend door de mensenmassa, zoals
gebruikelijk door te duwen en de ellebogen te gebruiken.
De plechtigheid was al begonnen. De kerk zag er net zo
schitterend uit als het jaar daarvoor.
De nieuwe organist liep tussen de gelovigen door, die
klaar stonden om de ring van de aartsbisschop te kussen. Hij beklom
het podium en probeerde alle registers van het orgel één voor één
uit, met een gewichtigheid die net zo gekunsteld als belachelijk
was.
Vanuit de groep opeengehoopte kinderen die zich onderaan
de kerk had gevormd was vaag een dof geluid te horen, een teken dat
het niet lang meer zou duren voor de storm van protest die zich aan
het ontwikkelen was zou losbarsten.
– Het is een bedrieger die werkelijk niets goed doet –
zeiden er een paar.
– Het is een grote stommeling, die eerst het orgel van
zijn eigen parochiekerk heeft geruïneerd en nu het orgel van meester
Pérez komt ontheiligen – zeiden weer anderen.
En terwijl de één zijn cape uittrok om flink wat herrie
met zijn tamboerijn te kunnen maken, de ander zijn rinkelbom in de
aanslag hield, en allen zich klaarmaakten om zo veel mogelijk lawaai
te maken, waren er slechts enkelen die het waagden om zwakjes op te
komen voor het vreemde personage, met die trotse en pedante houding
die zo contrasteerde met het bescheiden voorkomen en de vriendelijke
goedmoedigheid van wijlen meester Pérez.
Eindelijk kwam het langverwachte moment, het plechtige
moment waarop de priester, na het bovenlichaam wat naar voren te
hebben gebogen en een paar heilige woorden te hebben gepreveld, de
heilige hostie in zijn handen nam... De misbellen rinkelden, het
geluid was net een regen van kristallen klanken; transparante
wierookwolken stegen op, uit het orgel begon geluid te komen.
Op dat moment vulde een oorverdovend kabaal de hele kerk
en het eerste akkoord werd volledig overstemd.
Panfluiten, doedelzakken, tamboerijnen, alle
instrumenten die het volk maar bezat barstten tegelijk zonder enige
samenhang los; de chaos en het lawaai duurden echter maar een paar
seconden. Allen tegelijk, net zoals ze begonnen waren, hielden op
met herrie maken.
Het tweede akkoord, langgerekt, krachtig, grandioos,
kwam nog steeds uit de metalen orgelpijpen naar buiten stromen, als
een stortvloed van onuitputtelijke sonore harmonie.
Hemels gezang als een stem die de oren streelt op
momenten van extase; gezang dat de ziel hoort, maar de mond niet kan
benoemen; losse noten van een verre melodie die met tussenpozen te
horen zijn en die door windvlagen zijn gebracht; geritsel van
bladeren die elkaar in de bomen beroeren en fluisteren als de regen;
getjilp van leeuweriken die fluitend tussen de bloemen opstijgen als
pijlen die naar de wolken zijn afgeschoten; geraas zonder naam,
indrukwekkend als het geloei van een storm; serafijnenkoren zonder
maat of ritme; nooit gehoorde hemelse muziek die alleen de
verbeelding begrijpt; gevleugelde lofliederen die naar de troon van
Onze Heiland leken op te klimmen als een zuil van licht en
geluid..., dat alles drukten de honderd klanken van het orgel uit,
met meer kracht, meer mysterieuze poëzie, meer prachtige kleuren dan
het ooit tevoren had gedaan...
***
Toen de organist van het podium naar beneden kwam, waren er, in hun
ijver om hem te zien en te bewonderen, zo veel mensen naar de trap
toegestroomd, dat de burgemeester bang was, en niet zonder reden,
dat ze hem zouden verstikken. Hij beval een paar van zijn dienders
naar hem toe te gaan om, met de stok in de aanslag, voor hem een pad
te banen naar het hoofdaltaar, waar de aartsbisschop op hem wachtte.
– Zoals u ziet – zei deze, toen ze hem de organist
hadden gebracht – ben ik vanuit mijn paleis speciaal hier naartoe
gekomen, alleen maar om u te horen spelen. Bent u net zo hard als
meester Pérez, die me de reis nooit heeft willen besparen en steeds
heeft geweigerd op kerstavond tijdens de mis in de kathedraal te
spelen?
– Volgend jaar – antwoordde de organist –, beloof ik dat
ik aan uw verzoek zal voldoen, want voor geen goud speel ik nog een
keer op dit orgel.
– En waarom niet? – onderbrak de prelaat hem.
– Want... – ging de organist verder, terwijl hij de
heftige emoties die uit zijn bleke gezicht spraken de baas probeerde
te blijven –, want het is oud en gebrekkig, en je kunt er niet alles
mee uitdrukken wat je zou willen.
De aartsbisschop trok zich terug, gevolgd door zijn
dienaren. De hoge heren vertrokken één voor één in hun draagstoelen
en verdwenen in de kronkelige straten rondom het klooster; de
groepen gelovigen in de kloosterhof verspreidden zich en ieder ging
zijn eigen weg. De boodschapster van het klooster maakte zich op om
de toegangspoorten van de kloosterhof te sluiten en zag voor de
kerststal bij de Sint-Philipspoort
nog twee vrouwen
die een kruis sloegen en een gebedje prevelden, hun
weg vervolgden en de Nonnensteeg inliepen.
– Wat wilt u dat ik erover zeg, mijn beste doña
Baltasara? – zei de één –, ik ben verbijsterd. Ik wil er niet over
door blijven gaan, maar... Ook al zouden ongeschoeide kapucijners me
het hebben verteld, dan nog zou ik het niet hebben geloofd... Die
vent kan nooit hebben gespeeld wat we net hebben gehoord... Ik heb
honderden keren naar hem geluisterd in de Sint-Bartolomeüskerk, zijn
parochiekerk, waar meneer de priester hem eruit moest gooien, zo
slecht was ie, je moest echt watjes in je oren doen... Ik herinner
me nog als de dag van gisteren het gezicht van die arme meester
Pérez, toen hij op een avond als vanavond van het podium naar
beneden kwam nadat hij zijn gehoor in de ban van zijn prachtige
muziek had gehouden... Wat een goedmoedige glimlach, wat een
levendig gezicht!... Hij was oud, maar leek wel een engel... Heel
anders dan de manier waarop die vent struikelend de trap afkwam,
alsof een hond in het trapportaal naar hem aan het blaffen was; en
dan dat lijkbleke gezicht en die... Echt, mijn best doña Baltasara,
gelooft u mij, en gelooft u mij volledig..., ik denk dat hier meer
achter zit dan wij vermoeden...
En terwijl ze er verder over praatten, sloegen de twee
vrouwen de hoek van de steeg om en verdwenen ze uit zicht.
We menen dat het niet nodig is onze lezers te vertellen
wie één van de twee vrouwen was.
IV
Nog een jaar was voorbijgegaan. De moeder-overste van
het Sint-Agnesklooster en de dochter van meester Pérez spraken
fluisterend met elkaar, half verscholen in de duisternis van het
kerkkoor. Vanuit de toren riepen de kerkklokken de geloven met
gebroken stem bijeen, slechts enkelen staken de ditmaal verlaten
kloosterhof zwijgend over, namen wat van het wijwater bij de deur en
kozen een plek uit in een hoek van de kerk, waar een paar
buurtbewoners rustig wachtten op het begin van de kerstmis.
– Zoals u ziet – zei de kloostermoeder – is uw vrees
volledig ongegrond: er is niemand in de kerk; bijna heel Sevilla
heeft vanavond voor de kathedraal gekozen. Bespeel het orgel en
bespeel het onbevreesd; we zijn onder ons... Maar... u blijft
zwijgen en maar doorgaan met zuchten. Wat is er met u aan de hand?
Wat heeft u?
– Ik heb... angst – barstte de jonge vrouw aangedaan
uit.
– Angst! Waarvoor?
– Ik weet niet..., voor iets bovennatuurlijks... Weet u,
omdat ik al had gehoord dat het uw wens was dat ik tijdens de mis
het orgel zou bespelen, wilde ik gisteravond, trots dat mij die eer
ten deel was gevallen, de registers in orde maken en ze alvast
stemmen om u vandaag te kunnen verrassen. Ik ging naar het koor...
alleen..., ik opende de deur naar het podium... Op dat moment sloeg
de klok van de kathedraal..., ik weet niet hoeveel uur... Maar het
klokgelui was intens treurig en ging maar door...; de klokken
hielden niet op met luiden en ik bleef als aan de grond genageld in
de deuropening staan, het leek wel een eeuwigheid te duren.
De kerk was verlaten en donker... Ver van mij vandaan,
achter in de kerk, flikkerde, als een verloren ster aan de
nachtelijke hemel, een licht dat steeds zwakker werd... het was het
licht van de lamp boven het hoofdaltaar... In het zwakke schijnsel,
dat de schaduwen in de kerk alleen maar afschuwwekkender maakte, zag
ik..., zag ik hem, moeder, gelooft u mij, zag ik een man; hij zei
niets en zat met zijn rug naar mij toe; hij ging met één hand over
de toetsen van het orgel, terwijl hij met zijn andere hand de
registers bediende... en uit het orgel kwam geluid, een
onbeschrijflijk geluid. Iedere noot was als een snik die in de
metalen pijp werd gesmoord; de orgelpijp trilde door de lucht die
erin werd samengeperst en bracht een gedempte, bijna onhoorbare toon
voort.
En de klokken van de kathedraal hielden maar niet op met
luiden en die man bleef maar over de toetsen heen en weer gaan. Ik
hoorde zelfs zijn ademhaling.
Door de schrik stolde het bloed in mijn aderen; ik
voelde een ijselijke kou in mijn lichaam en een gloed in mijn
gezicht... Ik wilde schreeuwen, maar kon het niet. De man draaide
zijn hoofd om en keek naar me...; beter gezegd, hij keek niet naar
me, want hij was blind... Het was mijn vader!
– Kom zuster, ban uit uw gedachten die waanbeelden
waarmee de boze vijand de zwakke geesten in verwarring tracht te
brengen... Bid een onzevader en een weesgegroet tot de aartsengel
Michaël, hoofd van de hemelse legerscharen, opdat hij u bijstaat in
uw strijd tegen de kwade machten. Draag om uw hals een scapulier die
in contact is geweest met de relikwie van de heilige Pachomius,
beschermer tegen verleidingen, en ga, ga op het podium aan het orgel
zitten; de heilige mis gaat beginnen en de gelovigen wachten al
ongeduldig. Uw vader is in de hemel, en van daaruit zal hij
nederdalen, niet om u schrik aan te jagen, maar om zijn dochter
bezieling te geven tijdens deze plechtige ceremonie in bijzondere
verering.
De abdis nam plaats op haar zetel in het koor te midden
van de gemeente. De dochter van meester Pérez deed met trillende
handen de deur naar het podium open en ging op het orgelbankje
zitten, de mis begon.
De mis begon en verliep verder zonder dat er iets
noemenswaardigs gebeurde, tot het moment van de inzegening was
aangebroken en er geluid uit het orgel kwam, de dochter van meester
Pérez slaakte een kreet... De moeder-overste, de nonnen en een
aantal gelovigen snelden naar het podium.
– Kijk! – Kijk! – krijste de jonge vrouw, terwijl ze
haar verwilderde ogen op het bankje gericht hield; ze was verschrikt
opgesprongen en klampte zich nu met haar bevende handen vast aan de
balustrade van het podium.
Iedereen richtte zijn blik naar dezelfde plek. Er was
niemand bij het orgel en toch bleef er geluid uit komen, klanken die
alleen aartsengelen in vreugdevolle mystieke vervoering zouden
kunnen nabootsen.
***
– Heb ik het niet al duizend keer gezegd, mijn beste
doña Baltasara, heb ik het niet gezegd?... Hier zit meer achter!...
Luistert u maar naar mij; wat? was u gisteravond niet bij de
kerstmis aanwezig? Maar goed, u zult wel weten wat er is gebeurd. In
heel Sevilla wordt over niets anders gesproken... Meneer de
aartsbisschop is razend, en gelijk heeft ie... Niet meer naar het
Sint-Agnesklooster gaan en het mirakel missen... En waarom niet? Om
naar ketelmuziek te luisteren, want de mensen die het hebben gehoord
zeggen dat de organist van de Sint-Bartolomeüskerk in de kathedraal
niets anders heeft geproduceerd dan dat... Ik had het al gezegd. Die
schele kan nooit zo hebben gespeeld, het kan gewoon niet... Daar zat
meer achter; en wat er achter zat, was inderdaad de ziel van meester
Pérez.
© Vertaling Hendrik Hutter, 2008 |
|